Nepal. De heilige tempel Pushipathinath. Aan de rivier, een uitloper van de Ganges, worden 24 uur per dag lichamen van overledenen verbrand. In het openbaar, de dood wordt hier minder weggestopt dan bij ons. Het lichaam wordt op een houtstapel neergelegd. De familie heeft zich verzameld. In de mond van de overledene wordt een in olie gedrenkt lont gestopt. De oudste zoon loopt rondjes langs het lichaam van zijn vader, terwijl hij mantra’s zingt. Dan steekt hij met een pluk stro het lont aan. Het is een rauw gezicht in onze ogen. Ook in de de houtstapel wordt het vuur ontstoken. De vier elementen, aarde, water, vuur en lucht zullen zorgen dat de ziel van de overledene zijn weg vindt naar een volgend leven, of naar de verlossing uit de cirkel van reïncarnatie.
Rituelen helpen ons om overgangen te maken. Van leven naar dood. Van ziek naar gezond. Van oud naar nieuw. Van kind naar volwassene. We hebben rituelen voor trouwen, afscheid nemen, conflict oplossen, schuld bekennen, overgangen maken, seizoenswisselingen, verbinden, verbroederen, geboren worden.
Rituelen hebben een functie. Het is een hulpmiddel wanneer reguliere cultuur en omgangsvormen te kort schieten. Rituelen regelen het buiten-gewone. Het boven-natuurlijke. Het exceptionele. Voor de dag dagelijkse praktijk zijn de ongeschreven regels genoeg. Maar als het moeilijk wordt hebben wij mensen iets unieks. Ritueel. Dat hebben dieren niet. Misschien onderscheidt ons dat wel van hen. Met rituelen zetten we ons brein en onze tribale groep op scherp: ‘nu even opletten, er gaat iets bijzonders gebeuren, je kunt niet meer doen wat je altijd al deed, want je gaat trouwen’. En dan doe je nog één keer het ritueel van vrijgezellenfeest om te vieren wat je straks niet meer doet. En dan verbind je je in de echt door ringen uit te wisselen, een glas kapot te trappen, onder een boog door te lopen.
